maandag 5 maart 2012

De computerzaal anno 1967

Aan het einde van de zestiger jaren kwam ik in de automatisering terecht. Daar ging een reeks van toevalligheden aan vooraf die ik altijd als gelukkig heb beschouwd.

Niet dat ik iets van computers wist toen ik werd aangenomen, ik blufte nogal. Door veel geluk viel dat niet op. De ontbrekende kennis kon ik wel inhalen door hard te studeren in de maanden totdat ik in dienst trad, dacht ik. Zoiets was toen nog aardig te doen, computers waren in die tijd tamelijk eenvoudig. Ze konden niet veel en dat weinige was te overzien. Als je de gaatjes in ponskaarten in letters kon vertalen en het hexadecimale taaltje van computers kon lezen, kon je al aardig meedoen in die dagen. Een cursus programmeren was bij de baan inbegrepen. Het was het begin van wat mijn loopbaan zou worden. 

Het moet in 1967 zijn geweest dat ik voor eerst een computer zag. Die stond in een enorme zaal met een verhoogde vloer waaronder een wirwar van dikke kabels lag die de verschillende kasten  met elkaar verbond. Het geheugen (CPU) van die computers was kleiner dan nu het kleinste fotokaartje in een pocketcamera van vandaag. Het ding kon weinig, was meer dan levensgroot, kostte miljoenen en moest geforceerd worden gekoeld.


De sfeer in en rond de computerzalen aan het einde van de 60-er jaren had iets onwerkelijks en iets plechtigs tegelijk. Het leek op wat je zag in latere sciencefiction films, maar dan echt. Het onwerkelijke viel extra op als je in de nacht werd opgeroepen om een vastgelopen programma te repareren. Eerst was er de Opgang. Een statige langzame opgang naar de verhoogde vloer van de computerzaal. Niet in de vorm van een trap, nee dat zou veel te gewoon zijn, maar in de vorm van een langzaam oplopende baan, waardoor je traag en met lichte extra inspanning op een ander niveau kwam. Zelfs een kind kon daaruit afleiden dat je op weg was naar het ongewone, het hogere.


Aan het einde van de Opgang bevond zich de Glaswand: een wand, anders dan alle andere wanden. Belangrijk, dat kon je wel nagaan, want noodzakelijk voor de computer was die niet. Nee, het was bedoeld voor toeschouwers. Speciaal ontworpen om gewone stervelingen een blik te gunnen op de Toekomst die kennelijk al was aangebroken. De Glaswand was de onzichtbare, niet te doordringen scheiding tussen heden en toekomst. Majestueus, met doorzicht van boven naar beneden en van links naar rechts, zover de wand in kwestie maar kon reiken. 


Openheid, met de duidelijke bedoeling te laten zien dat de toekomst niet zo geheimzinnig was. Het effect was even overdonderend als paradoxaal: de geheimzinnigheid nam recht evenredig toe met de maat van de glaswand.


Als je voor het eerst de Zaal mocht betreden, werd dat effect zo mogelijk nóg sterker. Je kéék niet meer naar de toekomst; je stond er middenin. Daar deed je het voor! Zacht zoemende kasten, omringd door rijen manshoge tape-units die - geluidloos en als door onzichtbare hand gedreven - zich welwillend en onvoorspelbaar openden. Pastelblauw en steenrood gespoten kasten voorzien van snel a-ritmisch knipperende lampjes en dat alles strak en royaal ruimtelijk geordend. 



De regelprinter was eigenlijk de enige vreemde eend in de bijt. Met een snerpend geluid lukte het altijd om de aandacht van bezoekers te trekken. Ondanks de geluiddempende plexiglazen kap. En iedereen was onder de indruk van de duizelingwekkende snelheid waarmee zo'n printer nieuw papier in oud papier kon omzetten. Zo zag de toekomst er dus uit: een vrijwel mensloze samenleving waarin machines in kleurpsychologisch verantwoorde tinten het werk deden.

Was het de econoom Keynes niet die in de dertiger jaren voorspelde dat: "de tijd niet veraf meer was dat de mensen aanzienlijk minder behoefden te werken en meer aandacht konden besteden aan elkaar"? OK, het had dan wat langer geduurd dan hij dacht, maar het was volkomen duidelijk dat zijn voorspelling aanstaande was. Na de eerste verbazing was er niet veel ruimte meer voor een tweede, of het moest zijn dat je het koud kreeg. Langzaam drong de ijskoude aircolucht door je kleding. Nooit geweten dat de Toekomst zo koud was. 

Herhaling is de dood van verwondering. Als je enkele malen de beveiligde toegangsdeuren was gepasseerd, bleek de mystiek verdampt. Wat overbleef was een klinische machineruimte zonder daglicht met fluorescentielampen, waarin de kou langzaam in je botten kroop. Dát was de nachtelijke werkelijkheid. Uit je bed gebeld worden in het holst van de nacht, je brein op gang proberen te krijgen met bakken slechte zwarte koffie, zodat je het vastgelopen programma kon analyseren en herstellen. 

Daarna was het zelden de moeite om nog naar huis te gaan. De nacht zou straks vloeiend overgaan in een volwassen werkdag. De voorspelling van Keynes leek verder weg dan ooit. 

(bewerking van een tekst t.g.v. een reunie) 




1 opmerking:

  1. Je hebt me ooit dat verhaal eens verteld, maar wegens "steeds té veel te vertellen over van alles en nog wat" was het een beknopt verhaal.
    datzelfde hier nu lezen, al wachtend tot mijn kinderen binnenvallen, is heerlijk.
    De toekomst, denk ik.... we zitten er middenin.
    Hebben we nu, dankzij die computers meer tijd? 'k Laat het antwoord netjes in 't midden... ik vond alvast de tijd om "dit" te lezen....

    BeantwoordenVerwijderen