zondag 12 april 2009

Licht bestaat niet


Fotograferen betekent ‘schrijven met licht’. Daarom schijf ik het woord soms ook als fotograveren. Dat is veelzeggender, want zonder licht is er geen foto en zonder het juiste licht krijg je geen goeie foto.

Hoe meer je fotografeert des beter je de eigenschappen en kwaliteit van het licht leert zien. Dat is een geweldige verrijking. Alleen dat is al een reden om veel te fotograferen, ook al doe je niets met de resultaten. Je leert kijken en op den duur leer je dan vanzelf ‘zien’.

Het is fantastisch dat we een zintuig hebben waarmee we kunnen zien: onze ogen, al heb ik geen idee waarom we er 2 hebben en niet 1 of 3 of 4. 

Het lijkt me niet waarschijnlijk dat er 1 voor het verlies is. Maar of we er 2 hebben gekregen om de afstand te schatten tot onze tegenligger of tot de green op de golfbaan lijkt me ook al niet waarschijnlijk. Meer dan 2 ogen pasten misschien niet in ons hoofd en ons hoofd kon al niet groter (daarom  zijn onze te grote hersenen ook zo opgefrommeld). Mensen hebben relatief al het grootste hoofd van alle zoogdieren en als het nog groter zou worden zouden we niet eens meer geboren kunnen worden.

Het (dag)licht verschilt van moment tot moment. Er zijn zoveel soorten licht dat die niet te beschrijven zijn. Licht beweegt zich tussen tegenstellingen als: veel-weinig, hard-zacht, fel-gedempt, vlak-contrastrijk, warm-koud, dramatisch-vrolijk en nog veel meer. Naast al deze eigenschappen is licht nooit ‘wit’, het kan - in subtiele vorm - alle kleuren van de regenboog hebben. Maar door het aanpassingsvermogen van onze hersenen ‘zien’ we dat niet, of beter gezegd: zijn we ons dat meestal niet bewust.

Het daglicht komt van de (onze) zon. Daar vindt al 4,5 miljard jaar permanent en volautomatisch kernfusie plaats. De energie die daarbij vrijkomt wordt uitgestraald als elektro­magnetische straling. (Jawel, licht is door een magneet af te buigen!) Het blijkt moeilijk om me voor te stellen dat onze ogen straling kunnen opvangen die van 150 miljoen kilometer afstand (8 minuten) op ons afkomt.

Op ons netvlies hebben we staafjes en kegeltjes. De staafjes dienen om de hoeveelheid straling te meten en de 3 soorten kegeltjes (voor rood-groen-blauw) zijn om de kleur te bepalen [en nu maar hopen dat je evenveel van elk soort staafjes hebt, ander ben je ‘kleurenblind’]. Al die staafjes en kegeltjes fungeren samen als één supergevoelige antenne. Wij zijn de enige zoogdieren die zo’n verfijnde antenne hebben, de meeste zoogdieren zien geen kleuren of slechts enkele kleuren.

Maar …… licht bestaat niet. We maken het zelf. Wij dènken wel dat we zien met onze ogen, maar dat is helemaal niet zo, we zien met onze hersens! Ons netvlies vangt de elektromagnetische golven op en geven het signaal door aan de hersenen en die vertalen dat in licht. Het is heel moeilijk voor te stellen; maar eigenlijk lopen we lopen dus in het donker. Dank zij onze hersenen ervaren we dat als licht. Het is een beetje te vergelijken met nachtkijkers. In het pikkedonker zien we niets, maar als we dan een infrarood kijker gebruiken wordt er een straling - die er wel is, maar die wij niet ‘kunnen zien’ - omgezet naar een frequentie die we wel kunnen zien. We staan er niet bij stil, maar het is fantastischer dan de meest fantastische film ooit!

Gelukkig maar dat we niet net zulke supergevoelige sensoren hebben om al de elektromagnetische golven van GSM/GPRS/UMTS antenne's, GPS-satellieten, Wifi's, draadloze alarmsystemen en andere technologische verworvenheden te kunnen opvangen. Daar zou de zon bij verbleken en de nacht zou tot geschiedenis behoren.
En zeg nou zelf, wie zou de nacht willen missen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten