Het was onlangs 1 december 2008 en dan zou volgens (een vooraanstaande) oncoloog statistisch mijn termijn om zijn van ‘een leven in-goeden-doen’. Daarna had ik nog 6-9 maanden om uit te teren in kommer en kwel, zei hij eind 2006 in andere woorden.
Dat was in de afgelopen jaren natuurlijk geen
prettig vooruitzicht - en nog steeds niet - maar de menselijke geest, althans
de mijne, bergt op den duur deze nogal stellig uitgesproken mededeling ergens
in het achterhoofd op. Er komen tegelijk gedachten tevoorschijn die het leven
leefbaar houden.
Zo’n termijn is altijd veel te
kort, maar 2 jaar is al tweemaal zo lang als 1 jaar, en veel langer dan de paar
weken die sommige mensen krijgen. Alles is relatief. Maar tegen het einde van
het verstrijken van de termijn blijkt deze wetenschap uit mijn achterhoofd te
zijn ontsnapt en ze waart nu vrij rond.
Dat van dat ‘in-goeden-doen’ pakte nogal anders
uit. Door mijn plotselinge
hartprobleem bleek die voorspelling verre van juist, maar dat had die oncoloog ook
niet kunnen voorzien. En trouwens: medici geven geen garantie, niet eens tot de
deur van hun spreekkamer.
Dat ik de Intensive Care heb overleefd stemt
vanzelfsprekend tot grote vreugde, al vallen de gevolgen om den drommel niet
mee. Natuurlijk weet ik wel dat zijn uitspraak gebaseerd was op een tabel en
die weer op (per definitie verouderde) waarnemingen
met een veel te grote spreiding, maar toch …
Mijn houdbaarheidsdatum is dus eigenlijk
verstreken, zo voelt dat. Hoewel ik me heb voorgenomen de medisch statistieken
zwaar te logenstraffen, kan ik weinig meer doen dan mijn best. De rest is bluf.
Het resultaat zal gegarandeerd beperkt zijn. Ik bevind me nu ineens aan de verkeerde kant van de prognose. Tot 1 december was er een
misplaatst gevoel van veiligheid, maar dat is met het verstrijken van die datum
verdwenen: “Je tijd is bijna om”.
Ik zie het al met examens:
“Ga daar maar zitten, dit zijn de
opgaven”.
“Zo, dat is veel”.
“Dit is alleen maar het begin, tussendoor krijg je nog andere opgaven”.
“Dit is alleen maar het begin, tussendoor krijg je nog andere opgaven”.
“Hoeveel krijg ik er nog”.
“Dat zal je wel zien”.
“Hoeveel tijd krijg ik?”.
“Dat zal je wel zien”.
“Maar krijg ik wel voldoende
tijd?’.
“Waarschijnlijk niet, maar daar
doen we geen mededelingen over”.
“Maar dan krijg ik het misschien
niet af”.
“Geen mens krijgt het af”.
”Maar kan ik dan wel slagen?”
“Daar doen we geen mededelingen over. Let op je tijd.”
Na een (voetbal)wedstrijd met gelijk spel volgt een
verlenging en na de verlenging de blessuretijd. De verlenging is nu voorbij. De
blessuretijd is ingegaan en die is,
in vergelijking met een verlenging, altijd heel veel korter. Zo voelt dat
ongeveer: de wedstrijd wordt verlengd met een onbekend aantal minuten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten